zaterdag 24 februari 2018

Hermien

Dit stukje gaat over de koe Hermien die eigenlijk Joke (Joke 18) heet en Jeanne (Jeanne d’Arc) zou moeten heten.

Hermien had een paar mooie biefstukken. En de boer vond dat de tijd gekomen was om daar eens een slager naar te laten kijken dus Hermien ging op transport naar de slachterij. Niks nieuws, dat gebeurt dagelijks met honderden zusters, neven en nichten van Hermien. Maar Hermien wilde liever haar rundvleespakket bij elkaar houden dus toen het moment zich voordeed nam zij de benen, onder het motto: ‘een wilde koe is geen mak lam’ en vluchtte de natuur in. Naar waar ze thuishoort.

En wat waren wij allemaal blij! ‘s Avonds bij de biefstuk (4 voor een tientje bij de kiloknaller!) hadden we het over hoe goed het was dat zo’n beest aan haar slager wist te ontsnappen en deden we een like op de Free Hermien Facebookpagina. Hermien was vaker in het nieuws dan een politicus in verkiezingstijd en de mensen trokken massaal het bos in om een glimp op te vangen van de koe met de wilde haren. Dat maakte Hermien nog wilder waardoor ze niet gevangen kon worden. Waar is Winnetoe wanneer je hem nodig hebt?

Toen kwam de Speld met het volgende bericht: Koe Hermien kan worden gekloond, dus nu kan ze zowel geslacht als gered worden! Fake news bleek later (De Speld is de enige echte fake-news krant van Nederland).

Ondertussen werd er door de Partij van de Dieren een actie opgestart waarbij een halve ton werd opgehaald om Hermien te redden. Te redden uit het wild en te redden van de slacht. Het bedrag was voldoende om Hermien en haar zus (Joke 19) van een goed verzorgde oude dag te voorzien in een koeien-rusthuis. Maar nu vraag ik mij af: Wat moet een wilde koe in een rusthuis? Is zij niet beter op haar plek in een safaripark? Weet zij dat haar achterneven en -nichten vrij leven in de Oostvaardersplassen? Heeft Hermien aangegeven dat zij na die twee weken haar wilde haren had afgeschud en nu wel toe was aan een rusthuis? Ja, heel misschien was Hermien ondertussen wel toe aan haar eeuwige jachtvelden? Lekker, met een stroganoffsausje...

Beste mensen, hieruit blijkt maar weer: het Hollandse landschap is een landschap, geen natuur. Het is de bedoeling dat de inhoud van dat landschap zich gedraagt zoals wij dat willen. De koeien in onze natuur mogen er wel wild uit zien (zoals de Heckrunderen en Hooglanders) maar ze moeten niet wild zijn. Een koe in het wild heeft geen eigenaar en dat is lastig wanneer zij zich niet aan de verkeersregels houdt en een ongeluk veroorzaakt. Wie betaalt er dan? Misschien is dan de opbrengst van alle kilo’s rundvlees net genoeg om de deuk in de bumper en de kras in de lak te vergoeden? 
Of neem de bevers. Bevers horen er bij, maar niet te veel. Want dan gaan bevers doen wat zij altijd doen: water managen. Maar die taak hadden wij ons zelf al toebedeeld. En die bevers houden zich niet aan onze inrichtingsplannen of aan onze hoog water protocollen. 
En die berichten over wolven die ons land bezoeken zijn natuurlijk hartstikke spannend. Helemaal als ze worden voorzien van een track and trace routekaartje. Maar als zo’n beest niet is gechipt dan wordt dat een heel ander verhaal. Dan weten we niet waar ze uithangen en liggen ze zomaar bij grootmoeder in bed. 

Kortom: wilde beesten zijn welkom, maar wel binnen de lijntjes.

vrijdag 26 januari 2018

Vecht gedicht

Bij een fundraise-avond van het Prins Bernhard Cultuurfonds vroegen ze mij om de avond af te sluiten met een stukje poëzie met als titel ‘Vecht gedicht’. Op het podium kwam ik er achter dat ik die titel misschien verkeerd had geïnterpreteerd. Voor een zaal kunst-, cultuur- en Vechtminnend publiek heb ik het volgende gedicht voorgedragen.

Vecht gedicht
Man, wat heb ik een hekel aan de Vecht
die bochten, die buitens, zo banaal
doe mij het AmsterdamRijnkanaal
dat is tenminste lekker recht

Haar schoonheid is nagenoeg fenomenaal
hier stroomt het OerHollandse verhaal
van het landschap langs de lineaal
lang leve het Amsterdam Rijnkanaal

Daar flits je langs de ijle populieren
vlot op de fiets van A naar B
Amsterdam Breukelen: vijf of vier kwartieren
windje tegen, windje mee

U denkt nu: fijn dat iemand dit eens zegt
dus kom mee naar buiten allemaal
dan bezingen we het Amsterdam Rijnkanaal
en dichten we die ouwe Vecht

woensdag 17 januari 2018

Veranderen of verzuipen

Alles verandert constant. Sommige veranderingen gaan snel: Zwarte Piet lijkt tegenwoordig wel een kameleon en de zeespiegel stijgt waar je bij staat. De afgelopen eeuw was dat 20 centimeter en de komende eeuw waarschijnlijk ergens tussen de 26 en 82 centimeter. Bij een rencent onderzoek wordt zelfs gesproken over 180 centimeter. Volgens cabaretier Herman Finkers gaat het overigens nog sneller: hij is er bij gaan staan en hij zat al op 50 centimeter in een paar uur.
Andere dingen gaan wat langzamer. Zo vind ik het erg leuk om te weten (je hebt er verder niks aan) dat het Amerikaanse continent zich westwaarts van ons verwijderd met dezelfde snelheid als waarmee onze vingernagels groeien. Ook oude mensen gaan vaak wat langzamer. Maar je hoeft maar een nieuwe batterij in de fiets te stoppen en hup daar gaan ze weer. Mee in de vaart van het volk!

Ik ben creatief en positief van aard, dus ik houd wel van veranderingen. Ik zie altijd nieuwe mogelijkheden wanneer we dingen anders gaan doen. Ik vecht niet tegen windturbines en wat mij betreft komt die zelfrijdende auto zo spoedig mogelijk op de weg. Want ik zie die Max Verstappen wannabees liever racen op hun Playstation dan op de A2.
Maar veel mensen zijn conservatief en houden niet van veranderingen. Zij hebben het idee dat vroeger alles beter was. En daar heb ik mijn vraagtekens bij. Ik ben namelijk best blij dat we bepaalde middeleeuwse gebruiken achter ons hebben gelaten. Maar tradities en gewoontes zitten nou eenmaal lekker. Eigenlijk net als bij klompen: het liefst zou ik door blijven lopen op mijn oude paar, maar als je door de dunne zool de steentjes ‘op je klompen aan gaat voelen’ wordt het tijd voor wat nieuws. En nieuwe klompen knellen, je moet altijd even aan ze wennen. En de roetveegpiet aan jou.

Ook het klimaat verandert al zo lang als wij het hebben uitgevonden. Misschien veranderde het zelfs al daarvoor. En wij mensen hebben ons daar altijd naar geschikt. In den beginne konden we nog naar Engeland wandelen. Toen dat door het opwarmen van de aarde, het smelten van het ijs en het stijgen van de zeespiegel niet meer kon, zijn onze jagende en verzamelende voorvaderen gewoon vertrokken. En daarna vonden we de ferry uit. No problem.

Nu weten we ook dat resultaten uit het verleden geen garantie bieden op de toekomst, maar wel een blik. We kunnen redelijk goed inschatten waar we met z’n allen heen gaan in de nabije toekomst. Hoe verder hoe moeilijker, maar laten we ons nog maar geen zorgen maken over welke jas je aan moet trekken bij het invallen van de volgende ijstijd. Waar we ons wel zorgen over kunnen gaan maken is over de stijging van de zeespiegel. Vertrekken ligt nu een stuk ingewikkelder.

Er staan een paar stevige uitdagingen voor de deur: de afspraken die de wereld heeft gemaakt in Parijs en iets dichter bij huis de ambitie van de gemeente Stichtse Vecht om in 2030 klimaatneutraal te zijn. Daarvoor moet er wel het een en ander veranderen. En snel, anders gaan wij nooit de doelstellingen halen. Maar ‘doelstellingen halen’ hoeft ook helemaal niet! Doelstellingen zijn abstract en je kan ze met een paar klikken op je toetsenbord bijstellen. Dus dat laatste schrijf ik even opnieuw: ... daarvoor moet er wel het een en ander veranderen. En snel, anders verzuipen we. Zo duidelijk?

De vraag is nu: hoe krijgen we de veranderingen voor mekaar? Hoe gaat u dat doen? Is de auto de deur al uit? Bent u al van het gas af? Is uw huis al volledig geïsoleerd? Wekt u uw eigen stroom al op? Eet u nog vlees? Moet je mensen dwingen of verleiden? Wachten we op een echte ramp om de noodzaak aan te tonen (en dan niet een orkaan aan de andere kant van de wereld want die blijken niet te werken, maar een stevige overstroming hier bij ons over de stoep) of gaan we vrijwillig aan de slag?

We zijn onlangs gestart met klimaatgesprekken in de gemeente om het hier eens over te hebben. Niet om elkaar de les te lezen, maar om op zoek te gaan naar inspiratie voor verandering. U bent van harte welkom!


Ps. ik moet ook nog aan het werk: op zoek naar een alternatief voor mijn biefstukje...

zaterdag 21 oktober 2017

Earthship

Ik praat veel en de meeste woorden rollen vrij makkelijk uit mijn mond. Ik heb geen probleem met Worcestershiresaus of fierljeppen. Met de eerste niet omdat ik het nooit gebruik en met de tweede niet omdat ik dat woord zo vaak hoor dat ik het ondertussen met mijn ogen dicht kan zeggen.

Zo ben ik thuis de recordhouder in het zeggen van “ik mix de whisky met de whiskymixer”: 83 keer achter mekaar zonder te struikelen. Dat lukt overigens alleen als je de daad niet bij het woord voegt. Nu houd ik sowieso niet van gemixte whisky. Ik drink ‘m liever puur, no rocks. Maar de ervaring leert dat er na een glas of vijf meer miskeys gewhiksed dan whiskeys gemixed worden in de whiskymixer.

Nu ben ik bezig met het creëeren van een nieuw probleem: achter fort Maarsseveen gaan we een deel van de oorspronkelijke wal terug bouwen. Dat op zich is een uitdaging en geen probleem. Het wordt een holle wal, gemaakt van sloopmateriaal en gedekt met aarde. Zodat er vanaf de buitenkant weer een aarden wal te zien is en er aan de binnenkant zes ateliers en een extra zaaltje ontstaan. Met als mooie duurzame uitdaging om dit bouwwerk geheel zelfvoorzienend te maken: met eigen stroom, eigen water en biotoiletten. Zo’n ding noem je een earthship. En daar ligt het probleem: ik krijg dat woord niet zonder te struikelen over mijn lippen. Ik weet twee zinnen van te voren dat het er aan zit te komen. Ik bereid me vast voor maar eenmaal aangekomen bij het earthship gaat mijn tong dwarsliggen en dan komt het woord er uit alsof ik te hard over een verkeersdrempel fiets.

En dat is erg vervelend, zeker nu ik bezig ben met alle voorbereidingen. In alle presentaties kom ik dat woord weer tegen. Natuurlijk probeer ik het zoveel mogelijk met omschrijvingen te doen maar je ontkomt er niet aan om het beestje zo af en toe toch bij de naam te noemen. Er is wel een oplossing: de uitspraak gaat mij namelijk stukken beter af nadat ik vijf glazen whisky achter de kiezen heb. Dan is mijn tong volkomen relaxed, maar dan is het earthship ook helaas het enige woord dat nog vloeiend loopt.


Het moet dus anders en ik denk dat ik maar hulp moet gaan zoeken. We hebben straks mensen nodig die het leuk vinden om te komen helpen met bouwen en ik denk dat ik ook maar op zoek ga naar een sidekick die iedere keer als ik dat ene woord uit moet spreken voor mij in kan vallen. Sollicitaties via de website...

Zeldzaam

“Kijk, een roodborstje!”, zei een meisje vorige week tijdens de buitenles met de polderwachter in het natuurgebied in Waverveen. 
“Nee”, zei de polderwachter, “kijk eens goed”. 
“Oh nee, hij is blauw!”
“Dus dat is een...?”
“Blauwborstje?” Zo makkelijk kan het zijn.

Ik heb dat meisje en haar vriendinnen die om ons heen stonden wel even verteld dat dat niet iedere keer gebeurde tijdens de les: dat we een blauwborst spotten. Kluten, lepelaars en bergeenden volop. Ook leuk, maar de blauwborst is een zeldzaamheid.

En dan hoop ik dat ze ‘s avonds aan tafel vertelt dat ze die dag een blauwborst heeft gespot. En dat haar ouders dan weten dat dat het hoogtepunt van de dag moet zijn geweest. Want dat is natuurlijk nog maar de vraag: weten zij hoe weinig je zo’n beestje ziet? Met andere woorden: wat is voor deze mensen ‘zeldzaam’? Je kan namelijk ook denken dat alles wat vliegt een spreeuw is. Dan heb je zwarte en witte, grote en kleine spreeuwen en spreeuwen met een lange of een korte snavel. En een kip is een spreeuw die “tok” zegt. Waarbij ik aan moet tekenenen dat er bij mijn ouders op het dak vroeger echt een spreeuw woonde die kon tokken als een kip. En als zo’n ‘spreeuw’ net op de pas geverfde schutting heeft gezeten dan heb je er een met een rood of met een blauw borstje. Pas als je doorhebt dat het hier om verschillende soorten vogels gaat en dat je sommige daarvan vaker ziet dan andere, dan pas kan je gelukkig worden van de eerste gierzwaluw (zo’n spreeuw die klem zit met z’n pootje) van het jaar. Of van het spotten van een blauwborst.

Ik ga tijdens mijn buitenlessen niet op zoek naar zeldzame dieren. Hoe leuk het ook is om een ringslang te zien of een blauwborst, hoe graag ik ook een keer de zeearend over zou zien vliegen als ik vertel over imposante rovers, het blijft een grote gok als je op zoek gaat naar die dieren. En teleurstelling na afloop van de excursie ligt op de loer. Want de kans op het spotten van een zeldzaamheid is natuurlijk heel klein. Dat zal vast iets te maken hebben met het feit dat ze zeldzaam zijn.

Voor ons, natuurkenners bij uitstek is het wel duidelijk wat zeldzaam is en wat niet. Een blauwe reiger, een kraai en een meerkoet zijn niet zeldzaam, die kom je altijd tegen. Nee, zo’n vogeltje wat je nooit ziet, wat op waarneming.nl een volksverhuizing aan vogelaars met telelenzen veroorzaakt, dat is zeldzaam.

Maar hoe zit dat met een ICT-consultant die zijn dagen in de auto en op het kantoor doorbrengt? Die een keer in de maand naar buiten gaat, is voor zo iemand niet iedere vogel, zelfs een spreeuw, zeldzaam?

Dus als je zeldzame vogels wilt spotten kan je twee dingen doen: de app van waarneming.nl installeren of jezelf opsluiten en nog maar een keer per maand naar buiten gaan. 


Of je kan natuurlijk ook gewoon genieten van een spreeuw...

De waarheid

Jawel, ik ga mij er aan wagen: aan de waarheid. Want het zit mij niet lekker. Aan het eind van mijn wandelingen zijn er wel eens mensen die twijfelen aan het waarheidsgehalte van mijn verhaaltjes. En dat is niet leuk. Voor mij. Een gids van de historische kring of het IVN wordt vaak op zijn blauwe ogen vertrouwd, en hoewel ik de blauwste ogen heb van allemaal, heb ik toch vaak wat meer moeite om mijn gasten te overtuigen. Dat zit mij niet lekker. Als ik terugfiets naar huis en ik weet dat mensen zeggen: “Hij kan leuk praten, die polderwachter, maar wat hij zegt moet je maar met een korreltje zout nemen”, dan voelt dat toch als een teleurstelling. Een vorm van pijnlijk onbegrip. Want ik bedoel het niet verkeerd.
Over het algemeen gaat het zo: in den beginne is er een gebeurtenis en daarna volgen de verhalen. Die naarmate de gebeurtenis verder weg is (dat kan zowel in afstand als in tijd) steeds sterker kunnen worden. Maar het kan ook andersom. Ooit had ik om de spoedcursus polsstokspringen van enige urgentie te voorzien het verhaal verzonnen dat er aan de andere kant van de sloot een imaginair schaap op haar rug lag. Daar moet je naar toe om het dier weer op de poten te helpen. Dan is zo'n polsstok een heel handig hulpmiddel om de sloot met enig gemak over te steken. Als je weet hoe dat moet. Vandaar de spoedcursus. En toen gebeurde het: nadat ik het verhaal al vele malen had verteld, liep ik met een groep door de polder en toen lag er aan de andere kant van de sloot een schaap op haar rug. Dus ik moest naar de overkant om het dier te helpen. Zo kan een verzonnen verhaal dus ook later waar worden. Eerst het verhaal, dan de gebeurtenis.
Sinds kort sluit ik mijn wandelingen af met een klein experiment. Ik laat twee door mij gekozen vrijwilligers tegenover elkaar gaan staan. Met net genoeg ruimte tussen hen in om doorheen te lopen. Ik vraag ze goed te kijken naar de komende gebeurtenis, waarna ik met een paar ferme stappen door het poortje loop. Dat was het. Daarna vraag ik ze om een kort en bondig antwoord. Om zonder poespas, zonder verdere uitweiding gewoon de waarheid te vertellen. Ik vraag ze dan: “Van welke kant kwam de passant, van links of van rechts?” En dan zie je de worsteling om inderdaad gewoon te zeggen waar het op staat. Het valt niet mee, want zonder bijzinnen krijg je twee volkomen tegenstrijdige ‘waarheden’. De een zegt van links, de ander van rechts. Terwijl hier natuurlijk de waarheid door het midden liep. De waarheid, de hele waarheid en niets dan de waarheid is te groot, die behoeft veel te veel bijzinnen. Bij een goed verhaal kiest de verteller een, soms best triviaal standpunt.
Zo ben ik laatst over een slootje gesprongen. Gevolgd door een aantal gasten. Ik heb ze verteld dat ze, om het verhaal wat sappiger te maken best wat mogen overdrijven. Tot ik hoorde dat zij vertelden dat ze over een sloot waren gesprongen van dertien meter. Dat was natuurlijk niet de bedoeling, want op de foto was duidelijk te zien dat die sloot veel langer was dan dertien meter. Hij was minstens vijftig meter. Ik heb ze dus verteld dat ze, zonder de waarheid geweld aan te doen, best mogen zeggen dat ze over een sloot van vijftig meter zijn gesprongen.
In de breedte welteverstaan, maar een goed verteller weet ook wanneer hij zijn verhaal moet eindigen…

Ouwe koe

U kent ‘m wel: de volkswijsheid ‘je moet geen ouwe koeien uit de sloot halen’. Maar als u een koe in de sloot ziet, weet u dan of u te maken heeft met een jong of een oud exemplaar? De meeste koeien die in de sloot belanden zijn de jonge beesten die in het voorjaar weer naar buiten mogen en zich niet laten remmen door schrikdraadjes, hekken of sloten. Vaak komen die er zelf weer uit, en als dat niet lukt dan rukt de brandweer uit om de boer te helpen. Want een jonge koe heeft nog een heel (productief) leven voor zich, die moet je niet laten zwemmen. Jonge koeien moet je wel uit de sloot halen.
Laatst hoorde ik het verhaal van een bio-boer die uit liefde een oude koe op zijn land had lopen. De koe had jaren dienst gedaan als melkleverancier, was geadopteerd door adoptie(h)ouders uit de stad en mocht haar laatste jaren gewoon op de boerderij slijten. Tot de dood er op volgde. En dat is ondertussen gebeurd: ze is gestorven op het land. Mooi, en zielig. Want de volgende dag stond de inspectie op de stoep met de vraag of de boer de koe had verwaarloosd. En dat is een lastige. Nee denk ik, want de koe had een eigen stukje land, kreeg iedere dag te eten en twee dagen voor het einde was de dokter nog bij haar geweest om haar te onderzoeken. Die had overigens wel gezegd dat ze beter een spuitje kon krijgen. Waarop de boer vroeg of dat was omdat ze pijn had, maar dat bleek niet het geval. Ze was gewoon erg oud. Nou moet je geen menselijke emoties op een koe projecteren of omgekeerd, maar het is een aardig experiment om te bedenken hoe wij zouden handelen bij een oud mens. Die zijn ook niet meer productief en zien er vaak ook niet erg aantrekkelijk meer uit, soms ronduit verwaarloosd. Maar om daar dan ook een spuit in te zetten, ik durf het bijna niet eens op te schrijven…
Wij zijn met onze oudjes aardig op weg om ze uit het straatbeeld te verwijderen door ze in bejaardenhuizen te stoppen en te zorgen dat er zo weinig personeel is dat ze niet meer buiten komen. En ook in onze gebouwde omgeving wordt alles wat maar een beetje riekt naar ouderdom overgeschilderd, rechtgetrokken of afgebroken en nieuw gebouwd. Opgeruimd staat netjes. En toch vind ik dat je best wat vaker oude dingen mag tegenkomen, van hangouderen op een bankje tot ruïneuze gebouwen in het landschap. Want het zou toch mooi zijn als je voor oude dingen niet meer speciaal naar het museum of het bejaardenhuis moet, maar dat je het ook gewoon op straat, in het wild kan tegenkomen? Al is het niet voor de schoonheid, dan wel ter contemplatie: memento mori…
Kortom: ik pleit er voor om vaker ouwe koeien uit de sloot halen.