zaterdag 21 oktober 2017

Earthship

Ik praat veel en de meeste woorden rollen vrij makkelijk uit mijn mond. Ik heb geen probleem met Worcestershiresaus of fierljeppen. Met de eerste niet omdat ik het nooit gebruik en met de tweede niet omdat ik dat woord zo vaak hoor dat ik het ondertussen met mijn ogen dicht kan zeggen.

Zo ben ik thuis de recordhouder in het zeggen van “ik mix de whisky met de whiskymixer”: 83 keer achter mekaar zonder te struikelen. Dat lukt overigens alleen als je de daad niet bij het woord voegt. Nu houd ik sowieso niet van gemixte whisky. Ik drink ‘m liever puur, no rocks. Maar de ervaring leert dat er na een glas of vijf meer miskeys gewhiksed dan whiskeys gemixed worden in de whiskymixer.

Nu ben ik bezig met het creëeren van een nieuw probleem: achter fort Maarsseveen gaan we een deel van de oorspronkelijke wal terug bouwen. Dat op zich is een uitdaging en geen probleem. Het wordt een holle wal, gemaakt van sloopmateriaal en gedekt met aarde. Zodat er vanaf de buitenkant weer een aarden wal te zien is en er aan de binnenkant zes ateliers en een extra zaaltje ontstaan. Met als mooie duurzame uitdaging om dit bouwwerk geheel zelfvoorzienend te maken: met eigen stroom, eigen water en biotoiletten. Zo’n ding noem je een earthship. En daar ligt het probleem: ik krijg dat woord niet zonder te struikelen over mijn lippen. Ik weet twee zinnen van te voren dat het er aan zit te komen. Ik bereid me vast voor maar eenmaal aangekomen bij het earthship gaat mijn tong dwarsliggen en dan komt het woord er uit alsof ik te hard over een verkeersdrempel fiets.

En dat is erg vervelend, zeker nu ik bezig ben met alle voorbereidingen. In alle presentaties kom ik dat woord weer tegen. Natuurlijk probeer ik het zoveel mogelijk met omschrijvingen te doen maar je ontkomt er niet aan om het beestje zo af en toe toch bij de naam te noemen. Er is wel een oplossing: de uitspraak gaat mij namelijk stukken beter af nadat ik vijf glazen whisky achter de kiezen heb. Dan is mijn tong volkomen relaxed, maar dan is het earthship ook helaas het enige woord dat nog vloeiend loopt.


Het moet dus anders en ik denk dat ik maar hulp moet gaan zoeken. We hebben straks mensen nodig die het leuk vinden om te komen helpen met bouwen en ik denk dat ik ook maar op zoek ga naar een sidekick die iedere keer als ik dat ene woord uit moet spreken voor mij in kan vallen. Sollicitaties via de website...

Zeldzaam

“Kijk, een roodborstje!”, zei een meisje vorige week tijdens de buitenles met de polderwachter in het natuurgebied in Waverveen. 
“Nee”, zei de polderwachter, “kijk eens goed”. 
“Oh nee, hij is blauw!”
“Dus dat is een...?”
“Blauwborstje?” Zo makkelijk kan het zijn.

Ik heb dat meisje en haar vriendinnen die om ons heen stonden wel even verteld dat dat niet iedere keer gebeurde tijdens de les: dat we een blauwborst spotten. Kluten, lepelaars en bergeenden volop. Ook leuk, maar de blauwborst is een zeldzaamheid.

En dan hoop ik dat ze ‘s avonds aan tafel vertelt dat ze die dag een blauwborst heeft gespot. En dat haar ouders dan weten dat dat het hoogtepunt van de dag moet zijn geweest. Want dat is natuurlijk nog maar de vraag: weten zij hoe weinig je zo’n beestje ziet? Met andere woorden: wat is voor deze mensen ‘zeldzaam’? Je kan namelijk ook denken dat alles wat vliegt een spreeuw is. Dan heb je zwarte en witte, grote en kleine spreeuwen en spreeuwen met een lange of een korte snavel. En een kip is een spreeuw die “tok” zegt. Waarbij ik aan moet tekenenen dat er bij mijn ouders op het dak vroeger echt een spreeuw woonde die kon tokken als een kip. En als zo’n ‘spreeuw’ net op de pas geverfde schutting heeft gezeten dan heb je er een met een rood of met een blauw borstje. Pas als je doorhebt dat het hier om verschillende soorten vogels gaat en dat je sommige daarvan vaker ziet dan andere, dan pas kan je gelukkig worden van de eerste gierzwaluw (zo’n spreeuw die klem zit met z’n pootje) van het jaar. Of van het spotten van een blauwborst.

Ik ga tijdens mijn buitenlessen niet op zoek naar zeldzame dieren. Hoe leuk het ook is om een ringslang te zien of een blauwborst, hoe graag ik ook een keer de zeearend over zou zien vliegen als ik vertel over imposante rovers, het blijft een grote gok als je op zoek gaat naar die dieren. En teleurstelling na afloop van de excursie ligt op de loer. Want de kans op het spotten van een zeldzaamheid is natuurlijk heel klein. Dat zal vast iets te maken hebben met het feit dat ze zeldzaam zijn.

Voor ons, natuurkenners bij uitstek is het wel duidelijk wat zeldzaam is en wat niet. Een blauwe reiger, een kraai en een meerkoet zijn niet zeldzaam, die kom je altijd tegen. Nee, zo’n vogeltje wat je nooit ziet, wat op waarneming.nl een volksverhuizing aan vogelaars met telelenzen veroorzaakt, dat is zeldzaam.

Maar hoe zit dat met een ICT-consultant die zijn dagen in de auto en op het kantoor doorbrengt? Die een keer in de maand naar buiten gaat, is voor zo iemand niet iedere vogel, zelfs een spreeuw, zeldzaam?

Dus als je zeldzame vogels wilt spotten kan je twee dingen doen: de app van waarneming.nl installeren of jezelf opsluiten en nog maar een keer per maand naar buiten gaan. 


Of je kan natuurlijk ook gewoon genieten van een spreeuw...

De waarheid

Jawel, ik ga mij er aan wagen: aan de waarheid. Want het zit mij niet lekker. Aan het eind van mijn wandelingen zijn er wel eens mensen die twijfelen aan het waarheidsgehalte van mijn verhaaltjes. En dat is niet leuk. Voor mij. Een gids van de historische kring of het IVN wordt vaak op zijn blauwe ogen vertrouwd, en hoewel ik de blauwste ogen heb van allemaal, heb ik toch vaak wat meer moeite om mijn gasten te overtuigen. Dat zit mij niet lekker. Als ik terugfiets naar huis en ik weet dat mensen zeggen: “Hij kan leuk praten, die polderwachter, maar wat hij zegt moet je maar met een korreltje zout nemen”, dan voelt dat toch als een teleurstelling. Een vorm van pijnlijk onbegrip. Want ik bedoel het niet verkeerd.
Over het algemeen gaat het zo: in den beginne is er een gebeurtenis en daarna volgen de verhalen. Die naarmate de gebeurtenis verder weg is (dat kan zowel in afstand als in tijd) steeds sterker kunnen worden. Maar het kan ook andersom. Ooit had ik om de spoedcursus polsstokspringen van enige urgentie te voorzien het verhaal verzonnen dat er aan de andere kant van de sloot een imaginair schaap op haar rug lag. Daar moet je naar toe om het dier weer op de poten te helpen. Dan is zo'n polsstok een heel handig hulpmiddel om de sloot met enig gemak over te steken. Als je weet hoe dat moet. Vandaar de spoedcursus. En toen gebeurde het: nadat ik het verhaal al vele malen had verteld, liep ik met een groep door de polder en toen lag er aan de andere kant van de sloot een schaap op haar rug. Dus ik moest naar de overkant om het dier te helpen. Zo kan een verzonnen verhaal dus ook later waar worden. Eerst het verhaal, dan de gebeurtenis.
Sinds kort sluit ik mijn wandelingen af met een klein experiment. Ik laat twee door mij gekozen vrijwilligers tegenover elkaar gaan staan. Met net genoeg ruimte tussen hen in om doorheen te lopen. Ik vraag ze goed te kijken naar de komende gebeurtenis, waarna ik met een paar ferme stappen door het poortje loop. Dat was het. Daarna vraag ik ze om een kort en bondig antwoord. Om zonder poespas, zonder verdere uitweiding gewoon de waarheid te vertellen. Ik vraag ze dan: “Van welke kant kwam de passant, van links of van rechts?” En dan zie je de worsteling om inderdaad gewoon te zeggen waar het op staat. Het valt niet mee, want zonder bijzinnen krijg je twee volkomen tegenstrijdige ‘waarheden’. De een zegt van links, de ander van rechts. Terwijl hier natuurlijk de waarheid door het midden liep. De waarheid, de hele waarheid en niets dan de waarheid is te groot, die behoeft veel te veel bijzinnen. Bij een goed verhaal kiest de verteller een, soms best triviaal standpunt.
Zo ben ik laatst over een slootje gesprongen. Gevolgd door een aantal gasten. Ik heb ze verteld dat ze, om het verhaal wat sappiger te maken best wat mogen overdrijven. Tot ik hoorde dat zij vertelden dat ze over een sloot waren gesprongen van dertien meter. Dat was natuurlijk niet de bedoeling, want op de foto was duidelijk te zien dat die sloot veel langer was dan dertien meter. Hij was minstens vijftig meter. Ik heb ze dus verteld dat ze, zonder de waarheid geweld aan te doen, best mogen zeggen dat ze over een sloot van vijftig meter zijn gesprongen.
In de breedte welteverstaan, maar een goed verteller weet ook wanneer hij zijn verhaal moet eindigen…

Ouwe koe

U kent ‘m wel: de volkswijsheid ‘je moet geen ouwe koeien uit de sloot halen’. Maar als u een koe in de sloot ziet, weet u dan of u te maken heeft met een jong of een oud exemplaar? De meeste koeien die in de sloot belanden zijn de jonge beesten die in het voorjaar weer naar buiten mogen en zich niet laten remmen door schrikdraadjes, hekken of sloten. Vaak komen die er zelf weer uit, en als dat niet lukt dan rukt de brandweer uit om de boer te helpen. Want een jonge koe heeft nog een heel (productief) leven voor zich, die moet je niet laten zwemmen. Jonge koeien moet je wel uit de sloot halen.
Laatst hoorde ik het verhaal van een bio-boer die uit liefde een oude koe op zijn land had lopen. De koe had jaren dienst gedaan als melkleverancier, was geadopteerd door adoptie(h)ouders uit de stad en mocht haar laatste jaren gewoon op de boerderij slijten. Tot de dood er op volgde. En dat is ondertussen gebeurd: ze is gestorven op het land. Mooi, en zielig. Want de volgende dag stond de inspectie op de stoep met de vraag of de boer de koe had verwaarloosd. En dat is een lastige. Nee denk ik, want de koe had een eigen stukje land, kreeg iedere dag te eten en twee dagen voor het einde was de dokter nog bij haar geweest om haar te onderzoeken. Die had overigens wel gezegd dat ze beter een spuitje kon krijgen. Waarop de boer vroeg of dat was omdat ze pijn had, maar dat bleek niet het geval. Ze was gewoon erg oud. Nou moet je geen menselijke emoties op een koe projecteren of omgekeerd, maar het is een aardig experiment om te bedenken hoe wij zouden handelen bij een oud mens. Die zijn ook niet meer productief en zien er vaak ook niet erg aantrekkelijk meer uit, soms ronduit verwaarloosd. Maar om daar dan ook een spuit in te zetten, ik durf het bijna niet eens op te schrijven…
Wij zijn met onze oudjes aardig op weg om ze uit het straatbeeld te verwijderen door ze in bejaardenhuizen te stoppen en te zorgen dat er zo weinig personeel is dat ze niet meer buiten komen. En ook in onze gebouwde omgeving wordt alles wat maar een beetje riekt naar ouderdom overgeschilderd, rechtgetrokken of afgebroken en nieuw gebouwd. Opgeruimd staat netjes. En toch vind ik dat je best wat vaker oude dingen mag tegenkomen, van hangouderen op een bankje tot ruïneuze gebouwen in het landschap. Want het zou toch mooi zijn als je voor oude dingen niet meer speciaal naar het museum of het bejaardenhuis moet, maar dat je het ook gewoon op straat, in het wild kan tegenkomen? Al is het niet voor de schoonheid, dan wel ter contemplatie: memento mori…
Kortom: ik pleit er voor om vaker ouwe koeien uit de sloot halen.

De wacht

Ik wacht nu al tien jaar en ik heb het wachten tot een vorm van kunst gemaakt. Ik beheers de techniek van het goede wachten. Iets dat in de eerste plaats ligt aan het kiezen van het juiste voorzetsel. Als je ergens óp wacht kan dat inderdaad vervelend worden, maar ik wacht ergens ín. En dat is, mits je het op de goeie plek en de juiste manier doet, erg inspirerend.
Een ware wachter doet eigenlijk niets. Een ware wachter wacht. Zijn aanwezigheid is zijn functie. Ik wacht dus ik ben. Neem Rembrandts Nachtwacht, of de veldwachter van vroeger. Lekker een beetje lopen wachten in het dorp. Zo nu en dan de jeugd een standje geven wanneer zij van de brug in het water spuugden en het hondje van de slager terug naar huis brengen wanneer hij achter het hondje van de bakker aan was gegaan. En verder was het wachten in het zonnetje. Maar veldwachters hebben we niet meer. Net zo min als nacht- en brugwachters. Goed, er zit nog iemand in het hokje bij de brug in het dorp, maar dat is niet zoals het hoort. Een brugwachter hoort bij de brug te staan en je op je valie te geven wanneer je nog net onder de slagboom door probeert te schieten als het licht al op rood staat. Een echte brugwachter zit niet in een hokje op een beeldscherm te turen. Da’s een virtuele brugwachter, nep dus.
We hebben nog wel wachters, alleen heten die niet zo. Vogelaars zijn bijvoorbeeld goede wachters: uren zitten wachten tot zo’n klein bruin vogeltje voor je kijker verschijnt. En dan? Gezien, gevinkt en de vogelaar is voldaan. En vissers zijn ook goede wachters. Ik kan mij namelijk niet voorstellen dat het ze werkelijk gaat om het vangen van een vis. Die haal je hier op de hoek van de straat, klaargemaakt met uitjes en zuur. Waarom zou je daar al die moeite voor doen? Nee, het gaat de ware visser om het zitten aan de waterkant waarbij de vangst van een vis als hinderlijke onderbreking mag worden gezien. Ik zou zeggen: doe geen haakje meer aan de lijn, dan kun je als visser, als walkantwachter je geluk niet op (om maar niet te spreken van de vis).
En wat doet de ware wachter tijdens de wacht? “Niets”, zeg ik dan, maar dat is niet helemaal waar. Want tijdens het wachten worden de gedachten geordend, problemen opgelost en nieuwe plannen geboren. En zo blijkt wachten dus een zeer effectieve tijdsbesteding. Dat zouden meer mensen moeten doen.
Ik wacht nog even.

Het gat

Ik heb tijdens mijn natuurgidsencursus goed opgelet en ik kan mij nog goed herinneren dat een van de docenten zei: “Je moet niet iets vertellen over iets wat er niet is”. Een wijze les die ik goed in mijn oren heb geknoopt. Dit betekent dus dat je geen verhaal moet vertellen over een mooie bloem die nog niet bloeit of over de schitterende zang van een vogel die je gisteren hoorde fluiten. Dus als ik bij een muskusrattenbouw (het holenstelsel van de rat) een verhaal over muskusratten vertel, doe ik eigenlijk iets wat niet mag. Eigenlijk zou ik niet iets over de rat moeten vertellen want die zie je niet, maar het verhaal zou moeten gaan over dat wat er wel is: het gat.
En dan is de vraag: wat is een gat? Een gat is niet niets. Als een ijsvogel geen holte in een steile wand heeft gemaakt is het gewoon een steile wand. En niet een steile wand zonder gat. Pas als het ijsvogeltje zijn werk heeft gedaan zie je het gat. Dan zie je niet niets. Je ziet het ontbreken van grond: je ziet een gat. Dus een gat is iets. En dat is grappig, want als een gat een ding is, bestaan er dan ook halve gaten of is elk gat een heel gat? Kan je een gat verplaatsen? Stel: ik vind een boomstam met een gat er in en ik wil dat gat mee naar huis nemen, hoe doe ik dat? Ik kan de boomstam oppakken en meenemen, maar dan neem ik eigenlijk het omhulsel van het gat mee. Kan ik het gat niet in een doosje duwen en dan een dekseltje er op doen? Dan heb ik een doosje met een gat er in. Maar als er dan een gat in het doosje komt, kan mijn gat er dan uitvallen? En hoe vind ik mijn gat dan weer terug?
Misschien moet u dit stukje een paar keer lezen om er een gat in te zien. En mocht u de smaak te pakken hebben dan raad ik u aan om het boekje ‘over gaten en andere dingen die er niet zijn’ eens op te zoeken in de lokale boekhandel. Daarin leest u ook dat er vier soorten gaten zijn: een deuk (als je met je vinger een klein stukje in de klei drukt), een holte (als je je hele vinger er in drukt), een gang (als je er aan de andere kant weer uit komt) en een intern gat (een luchtbel in een homp klei). Maar wat gebeurt er als je die homp klei met die luchtbel in tweeën snijdt? Heb je dan twee halve gaten?
U ziet: zo kan je dus toch een aardig gesprek hebben over iets wat er niet is…

Vreemde vogels

De Kwak kan er ook niks aan doen. Dat ‘ie Kwak genoemd wordt bedoel ik. Hij roept het niet, hij doet het niet en hij lijkt in de verste verten niet op een eend of een kikker.
En ik kan het weten, want ik heb hem gezien. Deze zomer aan de plas bij onze camping in de Noordoostpolder. Het was een juveniel, een kwakje dus. En aangezien de kwak een schemer-jager is, hebben wij een paar avonden met een aantal mannen met kijkers naar het kwakje staan kijken. Dat is vreemd, althans volgens een aantal mede-kampeerders, want ook zij kwamen ‘s avonds vreemde vogels kijken. Zonder kijker, met klapstoel en een kop koffie keken zij naar de opgewonden mannen aan de rand van de plas. Er zijn er voor minder opgepakt.
En ik moet u zeggen: dit was niet de eerste keer dat mij zoiets is overkomen. Sinds ik mij bij tijd en wijle met natuurvorsers naar buiten begeef, bevind ik mij met eninge regelmaat in dit soort situaties. Vorig jaar lag ik tussen de vogelaars aan de rand van een weiland in de Bethunepolder te kijken naar de kwartelkoning. Althans: het beestje zelf zag je niet, slechts enkelen hebben hem gehoord, maar het was een excursie waard om een rondje langs de spotters te doen met hun Nikkon Nikkors (‘misschien spotten we de zeldzame AF-S 80-400’), de Canon EF’s en de Sigma AF-fen. Ziet u het voor u? En kan ik mij ook nog goed de schemerige avonden herinneren waarop wij met de vleermuiswerkgroep door de Maarssense nieuwbouwwijken trokken op zoek naar broedkolonies. Een groepje mannen die in het donker opgewonden met piepende kastjes naar slaapkamerramen staan te gluren. Met de rug tegen het bordje: Attentie Buurtpreventie!
En zoals iedere man heb ik natuurlijk ook wel eens tegen een boom geplast. Dit behoort immers tot een van de OER dingen die je eens in je leven moet hebben gedaan. Sommige plassen, andere praten en er zijn zelfs mensen die uren met hun neus tegen een boom gedrukt staan. Heb ik dus ook gedaan tijdens de excursie kostmossen. Tot ik door een agent op mijn schouder werd getikt met de vraag of ik tegen de boom stond te plassen. “Nee agent, ik bestudeer hier de korstmossen”. De boete voor het voor de gek houden van een ambtenaar in functie bleek hoger dan die voor wild-plassen.
Kortom: wees u bewust dat u soms vreemder bent dan de vogel in uw kijker. En dan maar hopen dat het natuurgidsenpasje van het IVN oom agent overtuigt van uw groene bedoelingen.